manneke

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • man·ne·ke
Woordherkomst en -opbouw
  • verkleinwoord, afgeleid van man met het achtervoegsel -ke met het invoegsel -e- [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord manneke mannekes
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

manneke o

  1. kleine man; kleine jongen
    • "Kul van zo'n manneke", stelt Patty nu op haar facebookpagina. "De krant bellen met een totaal uit zijn verband gerukte uitspraak van mij, om zo de pers te proberen te halen ter promotie van je nieuwe programmaatje!" [2] 
    • Meer te spreken was Smeets deze 48e editie van Pinkpop over bijvoorbeeld het optreden van Guus Meeuwis vanmiddag. Ook daar was vooraf nogal wat kritiek op, maar Smeets spreekt van een "onwaarschijnlijk succes". Het publiek ging vanaf de eerste noten mee in het enthousiasme van de Nederlandse zanger en bleef een uur lang vol overtuiging meezingen en -klappen. Ook van Martin Garrix, de andere headliner van zaterdag, was hij onder de indruk. "Wat een leuk manneke. Je zou wensen dat ze allemaal zo waren." [3] 
    • Hij ziet zichzelf nog thuis zitten bij zijn moeder, als klein manneke. The Rolling Stones op tv, op de radio. Toen al een hitmachine. ,,Wat zij neerzetten was onbereikbaar voor iedereen. Elke Nederlandse artiest is een lilliputter naast hen. [4] 
Schrijfwijzen
Synoniemen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen