manhaftig
Uiterlijk
- man·haf·tig
- Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘koen’ voor het eerst aangetroffen in 1553 [1]
- afgeleid van man met het achtervoegsel -haftig [2]
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | manhaftig | manhaftiger | manhaftigst |
| verbogen | manhaftige | manhaftigere | manhaftigste |
| partitief | manhaftigs | manhaftigers | - |
manhaftig [3]
- Het woord manhaftig staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "manhaftig" herkend door:
| 85 % | van de Nederlanders; |
| 80 % | van de Vlamingen.[4] |
- ↑ "manhaftig" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ manhaftig op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be