manger
Uiterlijk
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| manger | mangers |
manger
- man·ger
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| manger /mɑ̃ʒe/ |
mangeais /mɑ̃ʒɛ/ |
mangé /mɑ̃ʒe/ |
| eerste groep | volledig | |
manger
- (voeding), overgankelijk eten
- «Aujourd'hui, on va manger des crêpes.»
- Vandaag gaan we pannenkoeken eten.
- «Aujourd'hui, on va manger des crêpes.»
se manger
- wederkerend (spreektaal) botsen tegen
- «J’me suis mangé un arbre avec mon vélo.»
- Ik ben met mijn fiets tegen een boom gereden. [1]
- «J’me suis mangé un arbre avec mon vélo.»
Categorieën:
- Woorden in het Engels
- Woorden in het Engels van lengte 6
- Woorden in het Engels met audioweergave
- Zelfstandig naamwoord in het Engels
- Woorden in het Frans
- Woorden in het Frans van lengte 6
- Woorden in het Frans met audioweergave
- Woorden in het Frans met IPA-weergave
- Werkwoord in het Frans
- Voeding in het Frans
- Overgankelijk werkwoord in het Frans
- Wederkerend werkwoord in het Frans
- Spreektaal in het Frans