mandoer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • man·doer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mandoer mandoers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

mandoer m

  1. (beroep) in het voormalige Nederlands-Indië een leider van een werkploeg of meesterknecht op een fabriek, of de opzichter en onderhouder van een publieke plaats, zoals een badinrichting of een park. Een mandoer was altijd een Indonesiër
    • De mandoer was in dienst van de planter. 
Synoniemen
  1. opzichter

Gangbaarheid

35 % van de Nederlanders;
33 % van de Vlamingen.

Meer informatie