mandem
Uiterlijk
- man·dem
- alleen meervoud, via Engelse straattaal mandem van Jamaicaans Patois man dem [1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | - | mandem |
| verkleinwoord |
de mandem mv
- (straattaal) groep mannen of kameraden
- De mandem zijn altijd samen op straat te vinden.
- (straattaal) groep mensen in het algemeen
- Ik ga met de mandem chillen vanavond.
- Het woord 'mandem' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.
- ↑
Weblink bron “In Amsterdam geeft taalles: Wat betekent mandem?” (27 februari 2017) op at5.nl
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 6
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Woord alleen in meervoud in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Straattaal in het Nederlands
- Niet in Woordenlijst Nederlandse Taal