majorette

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

groep majorettes
Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·jo·ret·te
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘meisje bij optocht van muziekkorps’ voor het eerst aangetroffen in 1970 [1]
  • uit het Frans [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord majorette majorettes
verkleinwoord majoretje majoretjes

Zelfstandig naamwoord

majorette v

  1. dansmeisje dat in uniform meeloopt met een muziekkorps waarbij ze vaak jongleert met een stokje
    • Op de jaarlijkse Taptoe in Borculo op 17 juni zijn ze het enige korps dat nog majorettes heeft. Nog wel, want ook bij de Showband van Apollo uit Goor is de spoeling inmiddels dun. "Het is knokken om het stokje door te geven.’’[3] 
  2. combinatie van showdans, excerceren, ballet en twirlen
    • Bij het twirlen worden er net zoals bij majorette allerlei kunstjes met een stick gedaan, maar gelijktijdig wordt er ook gedanst en geturnd op muziek. De dames uit Hasselt vormen al 15 jaar een duo in de sport, en staan nu voor hun laatste grote toernooi. Want na het WK in Zweden hangen ze de twirlingstick aan de haak. [4] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen