majesteit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·jes·teit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord majesteit majesteiten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

majesteit v

  1. glorieuze verhevenheid
    En daar zetelt hij in majesteit.
  2. een vorst of vorstin waaraan als titel [1] wordt toegedicht
    Beide majesteiten namen plaats op hun zetels en daarmee begon de plechtigheid.
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Tussenwerpsel

majesteit

  1. aanspreektitel van een koning of koningin
    Wij zijn zeer verheugd u te kunnen begroeten, majesteit!

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. Wiktionnaire
  2. etymologiebank.nl