magot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

magot
Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·got
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Frans [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord magot magots
magotten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

magot m

  1. Barbarijse apensoort levend o.a. op de rots van Gilbraltar
  2. Turkse spaarpot
    • “De kamer waarin ik mij bevond leverde een schouwspel op van de weelderigste pracht, met de grootste achteloosheid gepaard. Overvloed van zwierige meubelen vervulde haar, welke allen het onhuiselijk aanzien hadden van splinternieuw te zijn. Een allersierlijkst pronktafeltje stond beladen met allerlei aardigheden en mooie beuzelingen, reukflesschen, handvuurschermen, magots, kinkhorens, sigaarbusjes en kostbare plaatwerken. Een zilveren pendule met een paar vazen van hetzelfde metaal rusten op een schoorsteenmantel van cararisch marmer, en op een trumeau onder een reusachtige spiegel daartegenover, zag men een groep van de schitterendste opgezette vogels met spitse bekken en lange staarten, die ooit levend of dood geschitterd hebben. Een marokijnen kleinodiënschrijntje stond er halfgeopend naast. In de vier hoeken der kamer prijkten vier zwaar vergulde standerdkandelaars. Het vloertapijt was uit gloeiend rood en even gloeiendgroen geweven. De neteldoeken gordijnen waren met oranje en lichtblauwe zijde overplooid. Gelijk bij alle ijdele menschen, hingen ook in deze huiskamer aan den wand de levensgroote en zeer behaagzieke portretten van mijnheer en mevrouw; mijnheer in een almaviva met een sierlijken zwaai gedrapeerd, en een oogopslag als van een aangeblazen dichter; mevrouw, zeer laag gekleed, met een dik parelsnoer om den hals, een kanten plooisel om de japon en schitterende armbanden. Voor de sofa, waarop de schoone dochter van den huize was gezeten, lag een tijgervel met rood omzoomd; en de armstoel van mevrouw was zoo ruim en zoo gemakkelijk, dat ze er als in verzonk.” [2] 
Synoniemen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. magot op website: Etymologiebank.nl
  2. NRC Prof. Dr. H.W. van Os 25 november 1995


Frans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

magot m

  1. (spreektaal) spaargeld [1]
  2. (spreektaal) poet, emmer geld
    «T’auras le magot, moi, je m'en tape.»
    Jij krijgt de poet, ik geef er niks om. [1]

Verwijzingen