macrofaag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·cro·faag
Woordherkomst en -opbouw
  • met het voorvoegsel macro- en met het achtervoegsel -faag
enkelvoud meervoud
naamwoord macrofaag macrofagen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

macrofaag m

  1. (biologie) grote fagocyt
Vertalingen

Gangbaarheid

42 % van de Nederlanders;
50 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be