maatbeker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

maatbeker
Uitspraak
Woordafbreking
  • maat·be·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord maatbeker maatbekers
verkleinwoord maatbekertje maatbekertjes

Zelfstandig naamwoord

maatbeker m

  1. een glas met maatverdelingen
    • Hij gooide de maatbeker uit woede kapot. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie