maaidorser

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Maaidorser met open bestuurdersplaats
Schema maaidorser:
1=haspel, 2=maaibalk, 3=vijzel, 4=opvoerband, 5=steenvanger, 6=dorstrommel, 7=dorskorf, 8=lattenschudder, 9=voorbereidingsbodem, 10=ventilator, 11=bovenzeef, 12=onderzeef, 13= omkeerband, 14=omkering, 15=korrelopvoerband, 16 korrelopslagtank, 17 strohakselaar, 18=chauffeurscabine, 19=motor
Uitspraak
Woordafbreking
  • maai·dor·ser
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord maaidorser maaidorsers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

maaidorser m

  1. (landbouw) een getrokken machine verder ontwikkeld tot een zelfrijdende landbouwmachine, die gebruikt wordt voor het oogsten van graangewassen, koolzaad en graszaad.
    • De verkoop van tractors is dit jaar met 15,4 procent gestegen ten opzichte van 2010. Er werden ook een kwart meer maaidorsers verkocht. Dat is zondag bekendgemaakt tijdens de afsluitende persconferentie van de landbouwbeurs Agribex, de op twee na grootste indoorbeurs van het land.[1] 
    • Bij oogstwerkzaamheden op een akker aan de Rekkense Binnenweg is zondagmiddag een maaidorser in brand gevlogen.[2] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

78 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. De Standaard 11/12/2011 door hrt
  2. Tubantia 01-08-2010