Naar inhoud springen

maîtrise

Uit WikiWoordenboek
  • maî·tri·se
enkelvoud meervoud
naamwoord maîtrise maîtrisen, maîtrises
verkleinwoord

demaîtrisev

  1. (onderwijs) (weinig gebruikelijk) diploma, vooral ter afronding van een universitaire studie
    • Hij behaalde zijn maîtrise. 


enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  maîtrise     la maîtrise     maîtrises     les maîtrises  

maîtrise v

  1. beheersing (v.e. ambacht e.d.), meesterschap
  2. zelfbeheersing
  3. (onderwijs) maîtrise
  4. (religie), (muziek) cantorschap
vervoeging van
maîtriser

maîtrise

  1. derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van maîtriser
  2. derde persoon enkelvoud verleden tijd (passé simple) van maîtriser