maîtrise
Uiterlijk
- maî·tri·se
- Leenwoord uit het Frans
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | maîtrise | maîtrisen, maîtrises |
| verkleinwoord |
de maîtrise v
- (onderwijs) (weinig gebruikelijk) diploma, vooral ter afronding van een universitaire studie
- Hij behaalde zijn maîtrise.
- Het woord 'maîtrise' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| maîtrise | la maîtrise | maîtrises | les maîtrises |
maîtrise v
- beheersing (v.e. ambacht e.d.), meesterschap
- zelfbeheersing
- (onderwijs) maîtrise
- (religie), (muziek) cantorschap
- "maîtrise" is geschreven in de traditionele spelling, de verbeterde spelling van 1990 is: maitrise.
| vervoeging van |
|---|
| maîtriser |
maîtrise
- derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van maîtriser
- derde persoon enkelvoud verleden tijd (passé simple) van maîtriser
- "maîtrise" is geschreven in de traditionele spelling, de verbeterde spelling van 1990 is: maitrise.
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Onderwijs in het Nederlands
- Niet in Woordenlijst Nederlandse Taal
- Woorden in het Frans
- Woorden in het Frans van lengte 8
- Woorden in het Frans met audioweergave
- Woorden in het Frans met IPA-weergave
- Achtervoegsel -ise in het Frans
- Zelfstandig naamwoord in het Frans
- Onderwijs in het Engels
- Religie in het Engels
- Muziek in het Engels
- Oude spelling van het Frans van voor 1990
- Werkwoordsvorm in het Frans