maître d'hôtel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • maî·tre d'hô·tel
enkelvoud meervoud
naamwoord maître d'hôtel maîtres d'hôtel
maître d'hôtels
verkleinwoord maître d'hôtelletje maîtres d'hôtelletje

Zelfstandig naamwoord

maître d'hôtel m

  1. (beroep) chef van de bediening in een hotel
     `Hij is de maître d'hôtel, maar hij prefereert de titel van majordomus, omdat het Latijnse woord voor "huis" daarin zit en omdat het volgens hem onze voornaamste taak is ervoor zorg te dragen dat onze gasten vergeten welke plek ze thuis noemden voordat ze hier kwamen.'[1]

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 12