luwen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lu·wen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
luwen
luwde
geluwd
zwak -d volledig

Werkwoord

luwen

  1. (ergatief) minder hard gaan waaien, minder hevig worden
    Ik denk dat het morgenochtend wel weer zal gaan luwen.
Verwante begrippen
Vertalingen