lustre

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lus·tre
Woordherkomst en -opbouw
[A]+[B] enkelvoud meervoud
naamwoord lustre lustres
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

lustre o

  1. (textielindustrie) dun, glanzend weefsel met een ketting van katoen of zijde en een inslag van wol, vooral geschikt voor zomerkleding
     Zijn kleding was ongewoon. Hij droeg hoge, stijve boorden en bij voorkeur een zwart lustre jasje, donkerrood fluwelen vest met metalen knopen en gestreepte broek, 's winters een lange pèlerinejas met een soort jagershoedje, 's zomers een grote strohoed.[1]

Zelfstandig naamwoord

lustre m

  1. lichtbron bestaande uit meerdere kaarsen of andere lichtpunten die aan armen zijn bevestigd
     Het was al donker toen ik aankwam; in de eetkamer brandde een dertigtal kaarsen in een lustre en er volgde een diner en règle, dat ik op deze afgelegen plaats zeker niet had verwacht.[2]
Synoniemen
Hyponiemen

Gangbaarheid

25 % van de Nederlanders;
31 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 16 mei 2020 Weblink bron Josine W.L. Meyer geciteerd doorAeg Timmerman Een Tachtiger in geleende tijd : Op zoek naar een grootvader in: De parelduiker., jrg. 8. nr. 1 (2003), Bas Lubberhuizen, Amsterdam, ISBN 90 5937 0384, p. 62
  2. Bronlink geraadpleegd op 16 mei 2020 Weblink bron Frans Erens (ed. Harry G.M. Prick) “Vervlogen jaren.”, 2de druk (1989), De Arbeiderspers, Amsterdam, ISBN 90 295 1548 1, p. 235 op Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Frans

Werkwoord

vervoeging van
lustrer

lustre

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van lustrer
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van lustrer
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van lustrer


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • lus·tre
enkelvoud meervoud
lustre lustres

Zelfstandig naamwoord

lustre m

  1. glans
  2. luister, glorie
  3. schoensmeer
Verwante begrippen
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
lustrar

lustre

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van lustrar
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van lustrar
  3. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van lustrar

Verwijzingen