lumineus
Uiterlijk
- lu·mi·neus
- Leenwoord van Frans lumineux, in de betekenis van ‘lichtend, prachtig’ voor het eerst aangetroffen in 1824 [1]
- afgeleid van het Latijnse lūmen (licht) met het achtervoegsel -eus [2]
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | lumineus | lumineuzer | lumineust |
| verbogen | lumineuze | lumineuzere | lumineuste |
| partitief | lumineus | lumineuzers | - |
lumineus [3]
- Het woord lumineus staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "lumineus" herkend door:
| 96 % | van de Nederlanders; |
| 97 % | van de Vlamingen.[4] |
- ↑ "lumineus" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ lumineus op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be