lumbaal
Uiterlijk
- lum·baal
- Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘m.b.t. de lendenen’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
- afgeleid van het Latijnse lumbus (lende, lendenen) met het achtervoegsel -aal [2]
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | lumbaal |
| verbogen | lumbale |
| partitief | lumbaals |
lumbaal
- (medisch) met betrekking tot de lende, het lage deel van de wervelkolom
- Het woord lumbaal staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "lumbaal" herkend door:
| 66 % | van de Nederlanders; |
| 70 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ "lumbaal" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ lumbaal op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be