luit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search
Een luit

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • luit
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘snaarinstrument’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1300 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord luit luiten
verkleinwoord luitje luitjes

Zelfstandig naamwoord

luit v/m

  1. (muziekinstrument) een snaarinstrument met een peervormige resonantiekast en een vlak bovenblad, de hals en kop staan meestal haaks op elkaar
    • De luit is een tokkelinstrument. 
Gelijkklinkende woorden
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
luien

luit

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luien
    • Jij luit. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luien
    • Hij luit. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van luien
    • Luit! 

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders
84 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen