Naar inhoud springen

luit

Uit WikiWoordenboek
Een luit
  • luit
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘snaarinstrument’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1300 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord luit luiten
verkleinwoord luitje luitjes

deluitv/m

  1. (muziekinstrument) een snaarinstrument met een peervormige resonantiekast en een vlak bovenblad, de hals en kop staan meestal haaks op elkaar
    • De luit is een tokkelinstrument. 
     Ze had met succes op haar luit gespeeld en zich verzekerd van een echtgenoot uit de stad, een Amsterdammer wiens familie aan de Herengracht op haar wachtte.[2]
     Zing en dans tezamen en wees blij, maar wees ieder alleen, zoals de snaren van een luit op zichzelf zijn, al doortrilt hen dezelfde muziek.[3]
vervoeging van
luien

luit

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luien
    • Jij luit. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luien
    • Hij luit. 
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van luien
    • Luit! 
86 %van de Nederlanders;
81 %van de Vlamingen.[4]
  1. "luit" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024586332
  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be