luisteraar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • luis·te·raar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord luisteraar luisteraars
verkleinwoord luisteraartje luisteraartjes

Zelfstandig naamwoord

luisteraar m

  1. Iemand die luistert.
    • Iemand die naar de radio luistert wordt luisteraar genoemd, iemand die naar de tv kijkt een kijker. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.