luierik

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lui·e·rik
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van lui met het achtervoegsel -erik.
enkelvoud meervoud
naamwoord luierik luieriken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

luierik m

  1. (pejoratief) een lui persoon
    • Luieriken moet ik niet hebben, werken moeten ze! 
Synoniemen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Werkwoord

vervoeging van
luieriken

luierik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luieriken
    • Ik luierik. 
  2. gebiedende wijs van luieriken
    • Luierik! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luieriken
    • Luierik je?