luchtbrug

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

[2] gebouw met meerdere luchtbruggen
Uitspraak
Woordafbreking
  • lucht·brug
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord luchtbrug luchtbruggen
verkleinwoord luchtbruggetje luchtbruggetjes

Zelfstandig naamwoord

luchtbrug v/m [2]

  1. (luchtvaart) ononderbroken stroom van transportvliegtuigen die aan- en afvliegen om een bepaald gebied van noodzakelijke voorraden te voorzien als dat niet via land- of zeeroutes mogelijk is
    • Hogeschool UCLL lanceert een luchtbrug tussen de campussen in Diepenbeek en Diest. Marc Vandewalle: 'Met tien campussen op de as Leuven-Limburg maken we vele kilometers. De tijd die hierin verloren gaat, rekening houdend met files, is erg kostbaar'. Als oplossing kocht de hogeschool onlangs een transporthelikopter waarmee men dagelijks studenten en personeelsleden kan transporteren.[3] 
  2. (bouwkunde) een hoge verbinding tussen twee gebouwen
    • Samen met Markenheem bouwt ProWonen aan een nieuwe invulling van het terrein aan de Magnoliaweg. Op deze plaats bouwt ProWonen 22 appartementen en op termijn acht laagbouwwoningen voor zelfstandige bewoners en Markenheem bouwt 66 zorgappartementen. Deze week wordt de luchtbrug gesloopt. Daarna is het appartementengebouw aan de Magnoliaweg 6 t/m 32 aan de beurt.[4]  
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. luchtbrug op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. De Standaard 01/04/2017 edm, red
  4. Tubantia 25-01-2017
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be