loper

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
[4] Een witte loper
[7] Een wrijfplaat met loper voor het fijnwrijven het pigment

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lo·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord loper lopers
verkleinwoord lopertje lopertjes

Zelfstandig naamwoord

loper m

  1. iemand die loopt of rent:
    • Wie de 10 km niet in circa 60 minuten kan lopen, wordt als beginnende loper beschouwd. 
     Overal ter wereld was de lokale bevolking gastvrij en verwelkomde vermoeide lopers met een warme kop thee of een bed voor de nacht.[2]
  2. een sleutel waarmee een hele serie verschillende sloten geopend kunnen worden
  3. een woord dat weliswaar in elke zin past, maar weinig zegt; passe-partout(woord)
  4. (schaak) een schaakstuk dat zich slechts diagonaal verplaatsen mag
  5. een langgerekt stuk vloerbedekking:
    • De rode loper voor iemand uitrollen. 
  6. een tafelkleed dat als een strook op de tafel wordt gelegd
  7. (gereedschap) een stuk gereedschap waarmee stoffen op een wrijfplaat fijngewreven worden
    • Voor het maken verf wrijf je met een loper het pigment fijn. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. loper op website: Etymologiebank.nl
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be