loos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: -loos


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • loos
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘leeg’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599 [1]
  • In de betekenis van ‘vals, slim’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen loos lozer loost
verbogen loze lozere looste
partitief loos lozers -

Bijvoeglijk naamwoord

loos

  1. (van vruchten) leeg
    • Een goed kastanjeras geeft weinig loze noten. 
  2. schijnbaar, niet werkelijk
  3. vals, voor de schijn
  4. ondeugend, aardig
    • Des winters als het regent / dan zijn de paadjes diep, ja diep. / Dan komt dat loze vissertje / vissen al in dat riet, / ... 
  5. slim, sluw
    • Een loze politierechercheur. 
Uitdrukkingen en gezegden

[2] loos alarm

  • vals alarm, alarm met een klaarblijkelijke oorzaak, maar zonder echte reden

[3] loze beloften

  • valse beloften, beloften die men niet van plan is na te komen

Werkwoord

vervoeging van
lozen

loos

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lozen
    • Ik loos. 
  2. gebiedende wijs van lozen
    • Loos! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lozen
    • Loos je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen