looptempo

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • loop·tem·po
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord looptempo looptempo's
verkleinwoord looptempootje looptempootjes

Zelfstandig naamwoord

looptempo o

  1. de snelheid waarmee men, gewoonlijk, wandelt
    • Tijdens de eerste ronde werd het looptempo gemeten. Bij de volgende ronde werd de muziek aangepast aan het looptempo van de proefpersonen. Tijdens de laatste twee rondes speelde er muziek die net iets sneller of trager klonk dan voorheen, zonder dat de aanpassingen hoorbaar waren.[1] 
    • Nationaliteit kan bezit nemen van je lichaam, het trekt in je oogleden en regelt je looptempo. Sociologen gebruiken voor die combinatie van sociologie en biologie het woord habitus. Dat begrip verwijst naar routines, houdingen en uitdrukkingen die we als vanzelfsprekend ervaren, als een ‘tweede natuur’. Een methode om zonder veel rompslomp deel te nemen aan het sociale verkeer in Nederland. Het is een elementaire vorm van Nederlandsheid, en de vraag is of het voldoende is voor het Nederlanderschap.[2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. de Telegraaf 26 augustus 2015 Snelle muziek vermindert kans op loopblessures
  2. NRC W. Oosterbaan 18 juli 2015 Warna Oosterbaan ‘Nederlandsheid’ loop je vanzelf op