loomheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • loom·heid
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van loom met het achtervoegsel -heid
enkelvoud meervoud
naamwoord loomheid
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

loomheid v [1]

  1. het vermoeid, lui en loom zijn zowel geestelijk als lichamelijk
    • De zon laat de loomheid indalen in elke vezel en porie; alle stress en spanning glijden uit mijn systeem. Zon, zee, wijn en tapas, meer heeft een mens blijkbaar niet nodig om te ontspannen. [2] 
    • Zorg dat je mee gaat met het seizoen: kruip uit je winterslaap, schud de loomheid van je af en zorg dat je in de volgende versnelling komt. Hoe eerder je dat doet, hoe meer je al gaat genieten. Zo ben jij straks helemaal klaar voor de zomer.[3] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf HILDE POSTMA 09 jun. 2015
  3. de Telegraaf 20 mrt. 2015
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be