lonk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lonk

Werkwoord

vervoeging van
lonken

lonk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lonken
    • Ik lonk. 
  2. gebiedende wijs van lonken
    • Lonk! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lonken
    • Lonk je? 

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be