lonk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lonk

Werkwoord

vervoeging van
lonken

lonk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lonken
    • Ik lonk. 
  2. gebiedende wijs van lonken
    • Lonk! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lonken
    • Lonk je? 

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders
89 % van de Vlamingen.