logeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lo·ge·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
logeren
logeerde
gelogeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

logeren

  1. (overgankelijk) (iemand) in huis opnemen, herbergen
    Tom heeft laatst zonder problemen een volstrekte vreemde gelogeerd.
  2. (inergatief) (bij iemand) blijven slapen
    De jongen mocht logeren bij een vriendje.
Vertalingen