logeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lo·ge·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘als gast zijn intrek nemen’ voor het eerst aangetroffen in 1285 [1]
  • afgeleid van het Franse loger (met het achtervoegsel -eren) [2] [3]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
logeren
logeerde
gelogeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

logeren

  1. overgankelijk (iemand) in huis opnemen, herbergen
    • Tom heeft laatst zonder problemen een volstrekte vreemde gelogeerd. 
  2. inergatief (bij iemand) blijven slapen
    • De jongen mocht logeren bij een vriendje. 
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen