logeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lo·ge·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
logeren
logeerde
gelogeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

logeren

  1. overgankelijk (iemand) in huis opnemen, herbergen
    • Tom heeft laatst zonder problemen een volstrekte vreemde gelogeerd. 
  2. inergatief (bij iemand) blijven slapen
    • De jongen mocht logeren bij een vriendje. 
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Wiktionnaire
  2. etymologiebank.nl