loef
Uiterlijk
- loef
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | loef | loeven |
| verkleinwoord | loefje | loefjes |
- (scheepvaart) de kant waar de wind vandaan komt
- Iemand de loef afsteken
ergens beter in zijn dan iemand
- een schip de loef afsteken
aan de bovenwindse zijde een schip inhalen
- de loef houden
bovenwinds blijven ten opzichte van een ander schip
| vervoeging van |
|---|
| loeven |
loef
- Het woord loef staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "loef" herkend door:
| 86 % | van de Nederlanders; |
| 81 % | van de Vlamingen.[7] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "loef" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ loef op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be