lodderig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lod·de·rig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen lodderig lodderiger lodderigst
verbogen lodderige lodderigere lodderigste
partitief lodderigs lodderigers -

Bijvoeglijk naamwoord

lodderig [2]

  1. een licht verlaagd bewustzijn hebbend
    • Onder grote zwarte parasols op het terras van brasserie Vink zoemt de zonnewarmte rond de hoofden van een zacht babbelend publiek. Ook het verkeer op de Biltsestraatweg, vaak gehaast en baldadig, doet het rustig aan. Lodderig bezien we voorbij snellende hardfietsers, al dan niet elektrisch voortgedreven. Een dikke man vlakbij maakt bekend dat zijn ouders hier al dansten in de jaren 30. Wielerclub De Volharding was er vaste klant en er reden nog trams naar Zeist.[3] 
    • Weer buiten valt me ineens op hoe lodderig Heidelberg kijkt. Alle beelden hebben slaapkamerogen. De gezichten die uit de gevels puilen. De geharnaste koningen in de renaissancegevel van het Schloss. Zelfs een aardewerken leeuwtje onder de geglazuurde kachel in een van de balzalen kijk naar me op met lome blauwe blik. Kunst en dromerigheid zijn een geslaagd koppel.[4]  
  2. dom
  3. onbetrouwbaar
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.

Verwijzingen