localiser
Uiterlijk
- Geluid: localiser (Lyon) (hulp, bestand)
- IPA: /lɔ.ka.li.ze/
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| localiser |
localisais |
localisé |
| eerste groep | volledig | |
localiser
- overgankelijk de plaats vaststellen van; lokaliseren [2]
- overgankelijk de tijd vaststellen van
- overgankelijk verhinderen dat iets zich verspreidt (bv. een brand of een epidemie); tot een plaats beperken, "lokaal houden"
- ↑ localiser (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.