livstid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • livs·tid
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van de Zweedse zelfstandige naamwoorden liv en swe
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   livstid     livstiden     -     -  
genitief   livstids     livstidens     -     -  
Naar frequentie 3995

Zelfstandig naamwoord

livstid, g

  1. (biologie) de tijd die men levd, leven
    «Under sin livstid vävde hon hundratals mattor, den sista när hon var 92 år.»
    Tijdens haar leven weefde ze honderden tapijten, de laatste toen ze 92 jaar was.
Synoniemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • döms till livstids fängelse
veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf