liquideren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • li·qui·de·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
liquideren
liquideerde
geliquideerd
zwak -d volledig

Werkwoord

liquideren

  1. overgankelijk afwikkelen, verrekenen
  2. overgankelijk opheffen
  3. overgankelijk uitroeien, uit de weg ruimen
Schrijfwijzen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen