linksheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • links·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord linksheid
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

linksheid v [1]

  1. de mate waarin iemand politiek progressief is
    • De VVD is meer een werkgeverspartij, terwijl de PvdA zelfs het woord arbeid in haar naam heeft. Het lijkt een logische veronderstelling dat de ‘linksheid’ ook opgaat in het onderwijs. Hierdoor zal deze enquête, afgenomen onder vakbondsleden, linkser uit zal vallen dan wanneer er een enquête gehouden zou worden onder niet-vakbondsleden. [2] 
    • PVV-Kamerlid Martin Bosma sprak eerder van pr-materiaal van GroenLinks dat door de publieke omroep zou worden uitgezonden. Hij is blij dat Bnn Vara nu heeft besloten de ‘documentaire’ niet te programmeren. “Het is een goede beslissing”, zegt de PVV’er. “Maar het is kenmerkend voor de ondraaglijke linksheid van de NPO dat ze dit ooit van plan waren.” [3] 
    • Over de beweerde linksheid van de FHJ blijft de nodige controverse bestaan. Zo beschrijft oud-student Jan-Albert Hootsen (tegenwoordig correspondent in Mexico) op zijn weblog zijn studen-tentijd op de FHJ als volgt: “Wie voor de Europese grondwet stemde, kreeg van de docent alleen SP-argumenten tegen de grondwet te horen. En tijdens een college waarin wij het waagden te twijfelen aan de kunde van Job Cohen werd ons toegebeten ‘daar geen flikker van af te weten’.” [4] 
  2. de mate van onhandigheid

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
70 % van de Vlamingen.

Verwijzingen