linguïst

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lin·gu·ist
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van Latijn lingua met het achtervoegsel -ist.
enkelvoud meervoud
naamwoord linguïst linguïsten
verkleinwoord linguïstje linguïstjes

Zelfstandig naamwoord

linguïst m

  1. (beroep) (taalkunde) beoefenaar van de taalkunde
    Een linguïst is iemand met een wetenschappelijke achtergrond.
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie