lindeboom

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

lindeboom
Uitspraak
Woordafbreking
  • lin·de·boom
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord lindeboom lindebomen
verkleinwoord lindeboompje lindeboompjes

Zelfstandig naamwoord

lindeboom m [2]

  1. (plantkunde) Tilia op Wikispecies een geslacht van bomen uit de kaasjeskruidfamilie
     Zij waren aan de andere kant van het bos onder een oude lindeboom en riepen hem.[3]
     "Wij stonden voor het raam naar het onweer te kijken en we zien de boom heen en weer gaan", zegt ze tegen Omroep Brabant. Opeens kwam de lindeboom haar kant op. "Het leek wel slowmotion. We zijn snel naar de achterkant van het huis gelopen, want je weet niet hoe ver hij komt als hij op het huis valt. Het was heel heftig."[4]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen