limo

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • li·mo
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord limo limo's
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

limo v

  1. (drinken) (informeel) frisdrank van water, suiker en vruchten of met een fruitsmaak
    • Dus deden ze drank in haar limonade.
      "Zoiets merk je toch?"
      Natuurlijk merkte ze het. Maar ze wilde zich niet laten kennen. Ze dronk het op zonder een spier te vertrekken. ‘Nóg een limo, mevrouw Paul?’ ‘O graag, meneer.’
       [1]
  2. (verkeer) (informeel) verlengde luxe personenwagen met chauffeur, vaak voorzien van getinte ruiten
    • Vertel mij niets over omroepen: ze halen je met een blauwe limo van huis en 's nachts mag je lopend in de regen vertrekken. [2]

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
limo limos

Zelfstandig naamwoord

limo

  1. limo, verlengde luxe personenwagen
Overerving en ontlening


Esperanto

  enkelvoud meervoud
nominatief   limo     limoj  
accusatief   limon     limojn  

Zelfstandig naamwoord

limo

  1. grens


Minangkabaus

Telwoord (min)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400 1012
5 15 50 500 1015
6 16 60 600 1018
7 17 70 700 1021
8 18 80 800
9 19 90 900

Hoofdtelwoord

limo

  1. vijf