lijster

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

de bonte lijster, Ixoreus naevius.
Uitspraak
Woordafbreking
  • lijs·ter
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘zangvogel’ voor het eerst aangetroffen in 1300.[1]
  • (erfwoord): Middelnederlands lijstre, ontwikkeld uit West-Germaans *lī(h)strō-.[2] Evenals Nederduits Liester, Luxemburgs Läischter ‘grote lijster’ en Fries lyster.
enkelvoud meervoud
naamwoord lijster lijsters
verkleinwoord lijstertje lijstertjes

Zelfstandig naamwoord

lijster v/m

  1. (vogels) een zangvogel van de familie Turdidae op Wikispecies
    • Toen ze in haar tuin een boek zat te lezen, hoorde ze enkele lijsters. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen