lijmen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lij·men
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
lijmen
lijmde
gelijmd
zwak -d volledig

Werkwoord

lijmen

  1. twee of meer delen aan elkaar bevestigen met behulp van een kleefstof
     Ik lijmde de bril weer aan elkaar en liet hem drogen maar helaas bleven er lijmvlekken op het glas zitten.[1]
Synoniemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

lijmen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord lijm

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be