liflaf

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

allemaal liflafjes
Uitspraak
Woordafbreking
  • lif·laf
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘flauwe kost’ voor het eerst aangetroffen in 1793 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord liflaf liflaffen
verkleinwoord liflafje liflafjes

Zelfstandig naamwoord

liflaf m [3]

  1. (voeding) een smakelijk maar weinig voedzaam gerechtje
    • Kerst is voor veel mensen de tijd van overdadig eten - dat is nu eenmaal de traditie. En omdat we hard op weg zijn naar de appelflappen en oliebollen, beperken sommige huishoudens zich momenteel tot kliekjes en liflafjes.[4] 
  2. (figuurlijk) een aardig maar overbodig iets
    • De musici brachten het er, na slechts een week repeteren, prima vanaf. Maar het programma was divers en ontbeerde artistieke eenheid: licht verteerbare klassieke liflafjes van Berlioz, Britten, Strauss en Stravinsky stonden naast nieuwe werken en een didgeridoo solo.[5]  
Antoniemen
  • een eenvoudige doch voedzame maaltijd


Gangbaarheid

Verwijzingen