leute

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

1. Een schilderij van de leute bij een boerenbruiloft.
Uitspraak
Woordafbreking
  • leu·te
Woordherkomst en -opbouw
  • precieze herkomst onzeker, gaat misschien terug op een Oergermaans woord *leut dat "voor de gek houden" zou betekenen [1][2]
enkelvoud meervoud
naamwoord leute -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

leute v/m

  1. toestand waarin mensen samen veel plezier hebben
    • Maar dan wordt de aandacht van de ik-figuur gewekt door een scharrelend gerucht in een duistere hoek van de herberg. Daar zit ‘een oude, versleten boerenwerkman’ wat verlegen te monkelen. Terwijl de leute in de gelagzaal aanhoudt, wordt de verteller gefascineerd door die verweerde, oude man. [3]
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

37 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen


West-Vlaams

Zelfstandig naamwoord

leute

  1. pret