leurder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • leur·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord leurder leurders
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

leurder m

  1. (beroep) iemand die leurt, die langs de huizen koopwaren vent
Verwante begrippen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

66 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie