lessenrooster

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

typisch lessenrooster met zijn afkortingen voor de vakken en de docenten
Uitspraak
Woordafbreking
  • les·sen·roos·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord lessenrooster lessenroosters
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

lessenrooster o

  1. tijdschema waarin staat waar, wanneer de door wie welke lessen gegeven worden
    • Tijdens haar eerste dag van het academiejaar aan de Vrije Universiteit Brussel moest Amber deelnemen aan de zogenaamde ‘Miss Marleentje’-verkiezing. Die activiteit staat gepland als verplichte les in het lessenrooster van het eerste bachelorjaar Kinesitherapie en Lichamelijke Opvoeding. Daardoor moeten alle studenten deelnemen, dus ook diegenen die niet kiezen voor een studentenkring of een doop.[1] 
    • Wat als de klas van de toekomst geen banken of schoolbord heeft? Wat als je een deel van je vakken van thuis uit zou kunnen leren of zelf een deel van je lessenrooster zou kunnen samenstellen?[2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. de Standaard 09/12/2016 om 07:50 door nadb Lapdances en pretsletten: VUB-studentes getuigen over seksisme in studentenkringen
  2. de Standaard 13/04/2016 om 20:05 door rdc ‘Maak van het onderwijs een game’