lessenaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • les·se·naar
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘schuin blad op voetstuk ter ondersteuning van geschrift’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • afgeleid van les met het achtervoegsel -enaar [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord lessenaar lessenaars
verkleinwoord lessenaartje lessenaartjes

Zelfstandig naamwoord

lessenaar m

  1. een standaard om bladmuziek op te plaatsen
    • Hij had een stevige lessenaar die wel tegen de wind bestand was. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen