lepperen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lep·pe·ren
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

lepperen

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
lepperen
lepperde
gelepperd
zwak -d volledig
  1. met kleine teugjes drinken
  2. met de lippen ergens aan zuigen, sabbelen
Synoniemen
Hyponiemen

Gangbaarheid

17 % van de Nederlanders;
21 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen