leiboom

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

leiboom
Uitspraak
Woordafbreking
  • lei·boom
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord leiboom leibomen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

leiboom m [1]

  1. een boom waarvan de takken in een bepaalde richting geleid worden
     Dit alles overziend voel ik eigenlijk veel meer voor een tamme haag, bijvoorbeeld van ordentelijke appels of peren. Begin met het slaan van stevige palen waarlangs je draden spant. Een leiboom vormen is niet lastig, zolang je tenminste niet aan snoeiangst lijdt. Anders koop je leiboompjes kant en klaar. Leid de bomen langs de draden.[2]
     Omdat de ruimte voor bomen in het openbare groen vaak beperkt is, kunnen vormbomen een oplossing bieden, meldt PPH. „Ze worden steeds meer toegepast.” Inmiddels bestaat er een uitgebreide variatie aan vormen. De leilinde is de meest bekende leiboom, maar er zijn meer boomsoorten waar van alles mee te doen is.[3]
Hyponiemen

Gangbaarheid

72 % van de Nederlanders;
62 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron Romke van de Kaa “‘De wilde fruithaag kun je beter vervangen door een tamme’” (18-07-2019), Tubantia
  3. Bronlink Weblink bron Clasina van den Heuvel “Leilinde en herfstanemoon in het zonnetje” (19-01-2007), Reformatorisch Dagblad