legsel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • leg·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord legsel legsels
verkleinwoord legseltje legseltjes

Zelfstandig naamwoord

legsel o

  1. (dierkunde) de eieren die gezamenlijk afgezet, bebroed of verzorgd worden
    • Hun legsel bestaat gewoonlijk uit vier, soms vijf eieren. 

Meer informatie

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord legsel legsels

Zelfstandig naamwoord

legsel

  1. legsel