legpuzzel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

het leggen van een legpuzzel
typisch stukje van een legpuzzel
Uitspraak
Woordafbreking
  • leg·puz·zel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord legpuzzel legpuzzels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

legpuzzel m [1]

  1. (speelgoed) een in stukken gesneden of gezaagde afbeelding op papier of hout, die weer tot één geheel moet worden gemaakt
    • Hubregtse Cartonnage bestaat uit acht bedrijven die onder meer verpakking maken voor voedsel Ook worden legpuzzels geproduceerd. De vestigingen zijn in Nederland maar ook in Noorwegen. De omzet is ruim 80 miljoen euro en het totale aantal medewerkers 300.[2] 
    • Het boek is vooral besteed aan de legpuzzels en aan andere gezelschapsspellen, kaartspelen of andere manieren om de avonden te vullen toen er nog geen televisie was. [3] 
  2. (figuurlijk) een eenheid maken van verschillende onderdelen zodanig dat de verschillende zaken elkaar niet in de weg zitten
    • De vergadering in Monte-Carlo werd trouwens een groot succes voor Bach. De afgevaardigden namen alle veertig aanbevelingen die werden gedaan voor de Olympische Spelen van 2020, unaniem aan. ‘De olympische agenda voor 2020 is net een legpuzzel. Nu alle hervormingsvoorstellen zijn goedgekeurd, zie je het hele plaatje’, zei de voorzitter van de internationale sportkoepel tevreden. ‘Een plaatje van vooruitgang, dat het unieke karakter van de Olympische Spelen garandeert.’[4]  
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia 01-11-2010
  3. NRC J.J. Peereboom 19 juni 2009
  4. Volkskrant 8 december 2014
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be