leggiadro

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Italiaans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
mannelijk leggiadro leggiadri
vrouwelijk leggiadra leggiadre

Bijvoeglijk naamwoord

leggiadro

  1. bekoorlijk, lieflijk
    «Io gli studi leggiadri
    Talor lasciando e le sudate carte, […][2]»
    Wanneer ik de bekoorlijke studies
    En de bezwete papieren soms verliet, […]
    «È terricciuola assai leggiadra, & di ragioneuole traffico.[3]»
    Het is een tamelijk lieflijke plek, met behoorlijk verkeer.

Verwijzingen

  1. M. Cortelazzo, M., Zolli, P. & Cortelazzo M. A. (2004). Leggiàdro. In L'Etimologico Minore (p. 665). Bologna: Zanichelli.
  2. Leopardi, L. (1831). A Silvia. In Canti (pp. 133-134). Firenze: Presso Guglielmo Piatti.
  3. Guicciardini, L. (1567). Descrittione di tutti i Paesi Bassi (p. 377). Anuersa: Apresso Guglielmo Siluio.