lef

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lef
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Jiddisch, in de betekenis van ‘Bargoens: moed’ voor het eerst aangetroffen in 1860 [1]
  • Herkomst: Jiddisj, letterlijk: 'hart' [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord lef -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

lef o of m

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) durf, branie, moed
    • Je moet het lef maar hebben! 
Anagrammen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen