leesuur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lees·uur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord leesuur leesuren
verkleinwoord leesuurtje leesuurtjes

Zelfstandig naamwoord

leesuur o

  1. uur dat men gebruikt om te lezen
    • Tijdens de Kinderboekenweek in oktober zamelden basisscholen en bibliotheken geld in met ‘sponsorlezen’ en ‘leesmarathons’, waarbij kinderen zich lieten sponsoren per gelezen bladzijde of leesuur. Met het geld kunnen 18.000 boeken gekocht worden, aldus oprichter Cathy Spierenburg. De opbrengst is het dubbele van de 50.000 euro die het piepkleine My Book Buddy voor 2012 had begroot.[1] 
    • In 2005 lazen wij gemiddeld 3,8 uur per week. Dat is, in vergelijking met Europese buurlanden, een zwakke score. Spanje, Italië en Duitsland presteren over het geheel genomen al ondermaats met een wekelijks aantal leesuren van tussen de vijfeneenhalf en zes uur. Van de onderzochte buurlanden scoren Engeland, Schotland en Noord-Ierland het zwakst: daar leest men gemiddeld vijf uur per week. Nederland, zo blijkt, zou daar nog onder zitten.[2] 
  2. lesuur dat men gebruikt om te lezen
Synoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen